zondag 21 september 2014

De camera

Eindelijk was het dan zover, ze gingen op vakantie! Lekker met zijn tweeën en de honden naar een huisje in de bossen van Brabant. Kon hij eindelijk zijn nieuwe camera uitproberen. Wat had hij hier naar uitgekeken.
In alle vroegte vertrokken ze in een volgestouwde auto. Het was heerlijk weer en op de weg was het gelukkig niet zo druk. Na een half uurtje klonk vanaf de achterbank een luid geronk, de honden waren in slaap gevallen. Zijn vriendin neuriede zachtjes met de muziek op de radio mee. Het raampje stond op een kiertje en een zwoel briesje waaide door de auto. Heerlijk, voor hem was de vakantie al begonnen. Ontspannen leunde hij achterover en keek naar het verkeer voor hem. Er stonden geen files dus het schoot lekker op.
Halverwege de tocht sloeg het weer plotseling om. De lucht werd grauw en het windje dat net nog zo lekker was werd nu toch wel erg kil.
Hoe dichter ze bij de bestemming kwamen hoe donkerder het werd. Grote grijze wolken trokken door de lucht. Kleine regendruppeltjes vielen op de voorruit. ‘Nee hè, geen regen,’ mompelde hij. Hij had geen zin in regen, als het regende kwamen er geen vogels in de tuin van het huisje en die wilde hij juist zo graag fotograferen! Hij trapte wat harder op het gas en reed flink door.


Na twee uur rijden, kwam het dorpje in zicht. Het was zo’n typisch Brabants dorp, een plein met kerk en kroeg en natuurlijk de Hoofdstraat die dwars door het dorp liep. Hij sloeg linksaf en reed tussen de boerderijen door naar het bos. Bijna was hij voorbij het oprijlaantje gereden, maar hij zag nog net de ruige steen met de verweerde cijfers tegen de grote oude den staan. Voorzichtig reed hij het smalle laantje in. Het had de vorige nacht flink geregend en het laantje stond vol met diepe plassen. Tussen de bomen door zag hij een klein groen huisje met een rood puntdak. De groen witte luiken voor de ramen waren dicht en achter de openslaande tuindeuren waren de donkerrode gordijnen gesloten. Langs de zijkant van het huisje lag een, met mos begroeide, veranda. Het zag er verlaten uit. Hij parkeerde de auto naast de voordeur en stapte uit. De honden op de achterbank keken slaperig op en staken snuffelend hun neuzen in de lucht. Ze roken de boslucht en de staartjes kwispelden van plezier. Zijn vriendin rekte zich gapend uit, ze leek wel een luie kat. Ze stapte uit en liep naar hem toe, ze sloeg haar armen om hem heen en knuffelde hem. ‘Wat een rust’, zei ze ‘Kom laten we de spullen uitpakken en een wandeling met de honden gaan maken.’ 
Hij knikte instemmend, maakte zich los uit haar omarming en opende de kofferbak. Hij gaf haar de lichtste tas en tilde de zware koffer uit de kofferbak. Zijn vriendin opende de deur voor hem ‘Zet alles maar in de slaapkamer dan berg ik de boodschappen in de keuken op’, zei ze.

Toen ze klaar waren lieten ze de honden uit de auto, deden ze aan de lijn en gingen een stukje wandelen. Naast het terrein waar het huisje stond liep een weg waar af en toe een auto voorbij kwam. Ze liepen een stukje langs de weg en sloegen na een tijdje een bospad in. De honden stoven aan hun lange lijn het bos in om luid blaffend met elkaar te spelen. Ze liepen langzaam, hand in hand. Hij keek om zich heen, het was heel stil in het bos, hij had nog geen vogeltje gehoord. Het regende nog steeds zachtjes. Na een half uurtje wandelen liepen ze terug naar het huisje, hij had een makkelijke salade voor vanavond klaar staan en een lekkere fles wijn. Vanavond zouden ze heerlijk lui, tot laat in de avond, op de veranda zitten. Morgen was het vast beter weer en zou hij vogels zien.

De volgende ochtend stond hij vroeg op. Hij deed de gordijnen voor de deuren open en keek de tuin in. Het was doodstil. De honden trippelden achter hem aan en keken verlangend naar buiten. ‘Zal ik jullie even naar buiten laten?‘ vroeg hij aan de honden. Hij deed de deuren open en de honden renden het grasveld op. Hij bleef een tijdje naar de spelende honden kijken en liep naar de keuken om aan het ontbijt te beginnen. Hij vond het jammer dat er geen vogels in de tuin waren maar het was nog vroeg. Na het ontbijt zou hij brood in de tuin strooien, dan kwamen ze vast.
Hij verkruimelde twee boterhammen en strooide die, na gegeten te hebben, door de tuin. De honden liepen nieuwsgierig achter hem aan. Hij joeg ze naar binnen, ze moesten even alleen blijven want er moesten boodschappen gedaan worden om voor de rest van de week eten te halen.
Toen ze na een half uurtje terug kwamen lagen de broodkruimels onaangetast in de tuin. ‘Ze komen nog wel, al die drukte ineens maakt ze bang’, zei zijn vriendin ‘als ze aan ons gewend zijn komen ze vanzelf.’ Hij hoopte het. De rest van de dag werd er veel gewandeld, geluierd en gelezen. Hij had wel foto’s gemaakt maar had nog steeds geen vogel gezien. Hopelijk zou hij morgen meer geluk hebben.
De dagen gingen voorbij, hij hoorde de vogels wel maar zag ze niet. Een keer had hij in de verte een kuifmeesje gezien en een paar duiven. ’s Nachts had hij een uil gehoord maar niet kunnen vinden. Het was nu de laatste dag en hij had nog steeds geen vogel gezien! Met zijn camera in de aanslag ging hij in de tuin zitten. Zijn vriendin was de koffers aan het inpakken, vanavond zouden ze vertrekken. De honden speelden in de tuin en daar maakte hij wat foto’s van. Toen het ging schemeren zat hij nog steeds in zijn stoel. Treurig stond hij op en liep naar binnen. ‘Ik heb geen één foto van een vogel kunnen maken,’ zei hij tegen zijn vriendin. Hij pakte de koffers en zette ze in de auto. Toen ze allemaal in de auto zaten reed hij zachtjes de oprijlaan af. Ze hadden nog een hele tocht voor de boeg. De honden nestelden zich op de achterbank en zijn vriendin zocht een lekker plekje naast hem. De vakantie was voorbij. Het was al donker toen ze thuis kwamen, nog een rondje met de honden en dan lekker naar bed.

De volgende ochtend werd hij wakker van het gefluit van vogeltjes. Hij liep naar beneden, deed de gordijnen open en keek de tuin in die vol zat met vogeltjes.



Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen